Broedvogels in het Flevopark

09 oktober 2026

Het Flevopark is het hele jaar door belangrijk voor vogels, maar in het voorjaar en in de zomer ziet de vogelbevolking er natuurlijk anders uit dan die in herfst en winter. Welke vogels in het Flevopark broeden, wordt al heel lang bijgehouden in het Broedvogel-Monitoring-Project (BMP) van de vogelonderzoekorganisatie SOVON. Na een drietal incidentele tellingen in de jaren tachtig van vorige eeuw is het park vanaf 2001 jaarlijks op broedvogels onderzocht.

Roodborst – Foto: Kitty Bruins

Het onderzochte gebied’ beslaat het hele Flevopark met uitzondering van het Flevoparkbadterrein en het terrein waarop Jeugdland en de tennisclub ligt. De Joodse Begraafplaats tot aan de Kramatweg hoort er wel bij. De methode voor het inventariseren van broedvogels bestaat vooral uit het luisteren naar de zang en goed letten op het gedrag van vogels. Vogels zingen om aan andere mannetjes duidelijk te maken dat dit zijn territorium is en bovendien hopen ze op deze manier een vrouwtje te lokken om samen te gaan nestelen.Het gedrag van de vogels is belangrijk om vast te stellen of de vogel gepaard is. Dat blijkt o.a. uit het gedrag van de vogel als deze bij voorbeeld met nestmaterisaal vliegt of met voedsel in zijn snavel. Daarmee geeft de vogel aan dat er genesteld wordt of dat er zelfs al jonge vogels in het nest zitten. Ieder voorjaar worden tussen  12-15 vroege ochtendbezoeken rond zonsopkomst gebracht en 1-2 bezoeken tijdens de avond of nacht om uilen en rallen te kunnen vaststellen. De gegevens worden per soort genoteerd op een kaart van het gebied. Als een vogel, b.v. een merel of boomklever, tijdens de bezoeken steeds op ongeveer  dezelfde plek zingt, dan kan je er vanuit gaan dat het gaat om een (broed)territorium.

Resultaten

In bijgaand overzicht (de gegevens in de tabel zijn eigendom van SOVON) staat van alle broedvogelsoorten van het Flevopark het aantal territoria en broedgevallen over een lange reeks van jaren (2001-2026). Uit de gegevens blijkt dat in de loop der jaren veel soorten zijn die ieder jaar in het park komen broeden. Er zijn ook soorten die er eenmalig hebben gebroed en soorten die er zo nu en dan komen broeden. In totaal, in de hele periode dat er geteld is, gaat het om 78 soorten. Een indrukwekkend aantal voor een stadspark.

In de loop van 25 jaar zijn er een aantal duidelijke veranderingen opgetreden. Al langere tijd is de huismus bij de vissershuisjes verdwenen. Waarschijnlijk is de sperwer als predator hier debet aan geweest. Toen de sperwer zijn intrede deed als broedvogel verdwenen de mussen.Ook in jaren met strenge winters zie je dat het jaar daarna soorten flink in aantal kunnen teruglopen (o.a. winterkoning, ijsvogel en blauwe reiger). Meestal herstellen de populaties zich weer in de jaren daarna. In de loop der jaren zijn er soorten die in de lift zitten zoals nijlgans (broedgevallen aan de rand van de kolonie blauwe reigers), krakeend, grote Alexanderparkiet (die veel op de al eerder aanwezige halsbandparkieten lijken) en de cetti’s zanger die de laatste jaren in de ruigtevegetatie van de begraafplaats broeden. Inmiddels broedt de buizerd elk jaar in het park en worden de laatste 2 jaar ook goudvink, nachtegaal en bosuil als broedvogel bijgeschreven.Er zijn natuurlijk ook soorten die het minder goed doen. De kleine karekiet is zo’n soort die steeds minder in staat is om een goede rietkraag te vinden ook ten gevolge van de verruigiing van de begraafplaats. Ook merel en groenling hebben het relatief moeilijk. En dat is een landelijke trend door introductie van ziektes. Ook de wilde eend gaat landelijk en in het Flevopark achteruit. Er gaan vooral veel pullen, jonge eendjes, verloren. En ook boomklever en pimpelmees halveerden in vergelijking met het begin van de tellingen in aantal. Er zijn ook soorten die niet meer in het Flevopark broeden. Daartoe behoort o.a. de ransuil en de fazant. De laatste is mogelijk verdwenen doordat op de begraafplaats waar de fazant voorheen broedde de vos zich vestigde en zich jaarlijks voortplant. Krenten uit de pap waren de vestiging in 2018 van de kleine bonte specht, en een bonte vliegenvanger in een nestkast.Er waren ook 2 territoria van 2 uiterst zeldzame dwaalgasten. In 2012 de krekelzanger en in 2022 de struikrietzanger. Beide op de begraafplaats en beide trokken honderden vogelaars uit het hele land om deze zeldzaamheden te komen bekijken.

Stelletje Halsbandparkiet Foto: Goos van der Sijde

Biotopen voor broedvogels – hoe te verbeteren?

Het park biedt mogelijkheden een aantal karakteristieke vogelsoorten een passend biotoop te bieden. Daarbij gaat het niet alleen om zeer algemene soorten als merel, koolmees en ekster, maar ook om soorten, die heel specifieke eisen stellen aan de vegetatiestructuur en aan een minimum aan rust op de plek waar de vogels broeden. Bijvoorbeeld de heggemus, zwartkop, tuinfluiter, grasmus en groenling in de ‘droge’ zone (vogels gebonden aan bos en struweel), en fuut, waterhoen, meerkoet, kleine karekiet en rietzanger in de ‘natte’ zone (vogels gebonden aan oevervegetaties met een aandeel riet). Ook het relatief open en natte gebied van de laagliggende Joodse Begraafplaats – daar groeit ook riet – speelt daarbij een belangrijke rol.

De zeldzame krekelzanger die in 2012 opdook langs de rand van het Flevopark op de Joodse Begraafplaats – foto: Goos van der Sijde

Het Flevopark wordt steeds ouder, en hoe ouder de bomen, hoe groter de kans op soorten als de bosuil en de grote en kleine bonte specht. Het ouder worden van de bomen houdt niet automatisch in dat er niet af en toe zal moeten worden ingegrepen. Bij opgroeiende bosschages bestaat het risico dat de kroonlaag zo dik wordt dat de struiklaag achteruit gaat en het bos de randen verliest, te open wordt en de toegankelijkheid voor mens en hond teveel toeneemt. Dit is nadelig voor vogels die in het struweel broeden (merel,winterkoning en roodborst). Voor een gevarieerde zangvogelstand is het belangrijk naar variatie in de begroeiing te blijven streven. Wat betreft de natte zone is het handhaven van een gevarieerde oeverbegroeiing met onder meer rietkragen van belang voor rietvogels als rietzanger en kleine karekiet.

Ransuil in Flevopark, 2015. Foto: Francina Ditzel

Ransuil

Het zogenaamde dennenbosje in het Flevopark (niet ver van het nieuwe Insecentenhotel) is lange tijd een fameuze roestplaats geweest waar in de winter regelmatig tien of meer ransuilen verbleven. Daarnaast was er ieder jaar een broedpaar. Toch zijn de ransuilen nog steeds af en toe te zien in het Flevopark. Tegenwoordig is het uilenbosje volledig ingenomen door de uitbreidende kolonie blauwe reigers. In 2026 heeft er ook een nijlgans gebroed in de kolonie reigers. Ransuilen en bosuilen eten normaliter vooral muizen, maar in het Flevopark eten de bosuilen vooral jonge ratten. De onverteerbare resten zoals schedeltjes, botjes en haren kotsen ze uit in de vorm van braakballen waardoor we het dieet van de bosuilen hebben kunnen bepalen. Het jachtgebied van de bosuilen en de ransuilen van het Flevopark strekt zich waarschijnlijk uit van het park en begraafplaats tot zelfs in de gebieden rondom het Flevopark.

Diversiteit

De grote diversiteit aan biotopen in het Flevopark is het gevolg van een aantal zaken. Bewust beleid om de afwisseling zo groot mogelijk te maken zoals het laten liggen van omgewaaide bomen. Hierdoor kunnen insekten goed gedeien waar ook de vogels, met name de insekteneters, van profiteren. Daarnaast ligt het park aan de rand van de stad en grenst het aan landelijke gebieden. Dit trekt soorten (o.a. cetti’s zanger en buizerd) aan die je in de echte stadsparken van Amsterdam omringd door bebouwing niet zult aantreffen. Bovendien worden de bomen in het park steeds ouder en groter hetgeen ook voor een aantal soorten (o.a. spechten en uilen) aantrekkelijk is. Van groot belang is ook de rust en de stilte van de voor het publiek vrijwel ontoegankelijke Joodse Begraafplaats. Behalve de soorten die in het park broeden zijn er ook soorten die er alleen komen fourageren. Zo is er regelmatig een ooievaar aanwezig. Mogelijk afkomstig van het park Franckendael. En ook de kwak , waarschijnlijk afkomstig uit de kolonie in Artis, laat zich bijna dagelijks in het Flevopark zien. Op de platte daken met grind van het Science Park broedt elk jaar ten minste 1 paar scholeksters die regelmatig op de ligweiden van het park naar voedsel komen zoeken.

Appendix

Behalve voor vogels is het Flevopark ook voor zoogdieren aantrekkelijk. Zo worden er regelmatig vos en hermelijn waargenomen. Sinds de vos een burcht heeft op de Joodse Begraafplaats is het zo goed als afgelopen met de populatie konijnen in het park. In het begin van de tellingen zaten er in de ochtend tientallen konijnen te grazen. Die tijden zijn voorbij. Incidenteel is er ook een boommarter en ree gespot. En tijdens onderzoek naar vleermuizen bleken er maar liefst 6 soorten voor te komen in het park (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis en rosse vleermuis). En mogelijk laat de otter zich in de komende jaren zich nog zien in de Nieuwe Diep. In de Nieuwe Diep maar ook in de wateren in het park zijn regelmatig grote schildpadden te zien. Deze zijn door mensen losgelaten omdat de schildpadden (geelwangschildpad en roodwangschildpad) die ze ooit als huisdier kochten te groot werden en bovendien vaak agressief gedrag vertoonden. De schildpadden gedeien goed in de wateren van het park en kunnen zonder problemen een strenge winter overleven. Voortplanten doen ze zich echter niet in het Nieuwe Diep. En ook de ringslang wordt zo nu en dan gespot in de wateren van het Flevopark.

Ben Daemen en Koen Wonders.

Mis niets uit het park

Ontvang af en toe nieuws en activiteiten in je mailbox.

Laatste berichten

09 okt 2026

Broedvogels in het Flevopark

Het Flevopark is het hele jaar door belangrijk voor vogels, maar in het voorjaar en in de zomer ziet de […]

Word vriend

Geef de natuur

een sterke stem

Hoe meer Vrienden, hoe sterker we staan in gesprekken over de toekomst van het park. Word lid, ontvang de Flevo-Vriend nieuwsbrief en blijf betrokken.